Leest De Dikke van Dale en schrijft brieven aan vuilnismannen en presidenten

Hardlopen in een middeleeuws Rhijnauwen (2)

De shit is aan. Ik ben tien bladzijdes verder in de Dikke van Dale en zit nog steeds bij aan.

Een heftig gesprek gevoerd aan het einde van de werkdag. Dat vraagt om lucht in het hoofd.

Hardlopen dus. Ik kan ’s avonds wel een aangepaste omgeving gebruiken en trek een samenraapsel van kledingstukken aan (waaronder een t-shirt waarop staat dat ik mijn fiets kwijt ben). Via een sluiproute kom ik toevallig in het bos van Rijnauwen terecht.

Hardlopen in Rhijnauwen is sprookjesachtig

Het aangezicht van het bos van Rhijnauwen is fabuleus. Ik loop langs een kasteel en een bord dat aangeeft dat dit pad jaren geleden het mooiste pad van Nederland was. Ik ren langs velden, hekken en poorten en een boerderij waar verse melk te verkrijgen is.

Rhijnauwen. De naam alleen al. Alsof er op elk moment ridders op hun paarden over de zandpaden voorbij kunnen draven, de paarden flink aansporend, en een koetsier bij het koetshuis het ijzer van zijn wielen invet. Zo te voorkomen dat het wiel aan gaat lopen.

Hij zou ondertussen het gevlij van een aanhaalster negeren en zich ergeren aan het gemijmer van een aangeladen nietsnut met de aankloppersziekte, die zich thans onder de aangebreide kousen bevond.*

De zon gloeit aan, een warme oranje bol, die langzaamaan tussen de weides en bomen wegzakt. Een orkest klinkt van vogels, die als hyperactieve mollen door geurende hopen gemaaid gras springen. Struiken ritselen luid, alsof er zo een beer uit zal verschijnen. Ik loop een stukje terug en luister. Er zouden geen achterklappers zijn, waren er geen aanhoorders.

Een haas zet aan, en suist door een groepje verbaasde ganzen. Er is niemand verder. Niemand om even tegen aan te kwatsen.

Plotseling is het donker en morgen zal de dag weer aangloren. Rijnauwen zal nooit aangrauwen.

Huidsmeerkliertjes

’s Avonds duik ik met plezier in de volgende bladzijdes van de Dikke. Ik maak het aangenaam. Met een kop thee en een kaarsje.

De Dikke begint over ellendige gelaatsproblemen. Aangezichtskramp, aangezichtsschedel, verlamming en de meest akelige: aangezichtsvin. Het klinkt alsof er een vis door je wang drukt, maar het is een huidziekte, bestaande in een ontsteking van de huidsmeerkliertjes.

Dat klinkt dan wel weer leuk. Huidsmeerkliertjes.

Ik eindig bij aannemen. De rest heeft het bos in Rijnauwen een Middeleeuws jasje aangenaaid.

Een redacteur van de Van Dale schrijft me nog.

(…) de Dikke Van Dale van 1999 bevat bijna een kwart miljoen trefwoorden! Het kan haast niet anders dat er dan ook woorden tussen staan die minder bekend zijn. Maar daar kunnen ook pareltjes tussen zitten. Ben benieuwd wat je na de ‘aalladder’ allemaal nog ontdekt.

De shit is aan. En blijft aan.

Hoofdstuk A pagina 10 t/m 20.

*Hij zou ondertussen het gevlij van een aanhaalster (aanhalig meisje) negeren en zich ergeren aan het gemijmer van een aangeladen (lichtjes dronken) nietsnut met de aankloppersziekte (beroepsziekte van arbeiders in schoenfabrieken die zich bezighouden met aankloppen op een machine – past niet echt in de middeleeuwen, maar dat is ons geheim), die zich thans onder de aangebreide kousen (schimpnaam voor zeer arme lieden) bevond.

 

Verder Bericht

Vorige Bericht

4 Reacties

  1. Nico Sjoer 11 mei 2017

    “Er zouden geen achterklappers zijn, waren er geen aanhoorders.” Die Dikke doet het goed bij je. Wat een one-liner. Chapeau!

  2. wybo 11 mei 2017

    Aanstekelijk en aangenaam schrijfsel.

Geef een reactie

© 2017 Daavid

Thema door Anders Norén