Een onderbroek voor de deur, aangifte bij de politie en uit de trein springen

Ik woonde twee weken in het huis van een paar mensen die op vakantie waren, zodat ik in alle rust aan mijn scriptie kon werken. Ik ruimde de drollen van Guusje op en het leek allemaal heel saai te worden, maar in plaats daarvan heb ik per ongeluk een paar dingen meegemaakt die ik toch even wilde delen. Iemand stond midden in de nacht in een onderbroek voor de deur. Ik kreeg ruzie met een man op de stoep en een meisje sprong uit de trein nadat ik een fotolijstje in het toilet had gezet.

dsc_0331

Ruzie op en over de stoep

Ik prop mijn fiets tussen de andere fietsen. “Dat is tegenwoordig een van de grootste ergernissen,” hoor ik en ik draai me om. “Fietsen op het voetpad,” zegt de man die ik net voorzichtig en langzaam op de stoep inhaalde. Hij kijkt me verwijtend aan en vervolgt zijn langzame tred, zijn voeten over de tegels slepend alsof alle vreugde uit het leven is verdwenen.

Ik wil antwoorden dat er ongeveer anderhalve meter tussen ons zat en dat omrijden geen optie is, maar in plaats daarvan roep ik: “Snap ik!” Daar heeft hij vast niet van terug.

Ik heb geen zin om met hem in discussie te gaan. Hij heeft natuurlijk gelijk, maar nu heb ik opeens wel heel erg veel zin om weer op de fiets te springen, over zijn nattewashandjesvoeten heen te rijden en het voorwiel met de nodige snelheid tussen zijn benen te parkeren.

Hij mompelt nog een paar dingen. Ik klik het slot vast.

Het laat me niet los. De hele verkeerssituatie hier maakt dat ik eigenlijk de voordeur niet op een normale manier kan bereiken dan over het voetpad te fietsen.En daar komt dan nog bij dat de stoep zo breed is dat je er met vier fietsen en twee voetgangers nog prima op past.

Maar wat me tijdens het bakken van twee vegetarische wortel-munt burgers niet loslaat: is over de stoep fietsen echt een van de grootste ergernissen? Onjuist, zo blijkt. Het staat niet eens in de Top Tien Ergernissen in het verkeer.

Een theorie van rechtvaardigheid in de praktijk

’s Avonds werk ik aan mijn scriptie en lees ik Een theorie van rechtvaardigheid van John Rawls. Lekker schijnheilig, ’s middags iemand op de stoep afsnijden en dan schrijven ‘formele rechtvaardigheid betekent inachtneming van het beginsel, of zoals sommigen hebben gezegd, gehoorzaamheid aan het systeem’.

Daarom een brief naar de politie, omdat ik de man mijn excuses niet kan maken. Als ik op zoek ga naar andere stoepfietsers kom ik uit bij het bericht  van een Haagse vrouw die zes uur lang in de cel zat en een bruiloft miste na een paar meter met de fiets op de stoep(*). Ik film volgende week een bruiloft, dus ik houd mijn hart vast.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij wil ik een overtreding melden die ik heb begaan. Ik heb op 19 september omstreeks 18.45 uur op de stoep gefietst op de **** ter hoogte van nummer **. Een man reageerde boos, terwijl ik langzaam fietste en de nodige ruimte tussen ons liet.

Ik was gedurende twee weken te gast in deze straat, omdat ik op de kat van iemand paste en het is erg lastig om de huizen te bereiken door netjes de fietspaden te volgen. Je moet dan namelijk eigenlijk een heel stuk omfietsen via de rechterkant van de straat, terwijl de stoep erg breed is. De verleiding om dan een klein stukje over het trottoir te fietsen is dan ook erg groot – vooral als je de hele dag gewerkt hebt (zie bijlage voor de verkeerssituatie).

Natuurlijk gaat het in werkelijkheid maar om een klein stukje extra, maar gevoelsmatig wil je zo snel dat huis in en even op de bank ploffen.

Ik weet niet wie de man was, ik was slechts kort een buurtbewoner – maar ik hoop dat ik op deze manier toch een soort van excuus maak, door mijzelf aan te geven en spijt te betuigen.

Ik hoop echter dat u niet over gaat tot vervolging, want ik moet volgende week een bruiloft filmen en vrijheid kan ik daarbij goed gebruiken.

Met vriendelijke groet,

Hoe een meisje mijn hele dag mooi maakte met een sprongetje

Aangezien ik een verplichte blogpauze heb, bedacht ik een andere manier om toch te schrijven. Op verborgen briefjes. Ik combineer mijn briefjes gewoon met gemaakte foto’s: een soort offline blog. De eerste zet ik in een treintoilet. Omdat het daar altijd zo onfris is, maar tegelijkertijd de plek van de grootste opluchting.

foto

Het is vrijdag en ik kan niet wachten tot het weekend begint. De verjaardag van mijn zusje op de volgende dag. Ik zit in een volle trein en naast me gaat een meisje zitten met een grote bak patat. Daar zit je ook niet op te wachten. Dat er iemand rond etenstijd met patat naast je gaat zitten in de trein – omdat je zelf moet wachten totdat je gezonde pasta in de pan zit. Maar ze glimlacht vriendelijk en ik keur haar en de patat goed.

De conductrice verschijnt om de hoek. We zitten namelijk precies achter in de treincoupé en als je de deur openklapt, zitten we opgesloten. We veren allebei tegelijk op en grijpen onhandig in alle zakken. Het moet er grappig uitzien, want zoekend naar de OV-chipkaart wringen we ons in alle bochten om elkaars lichaam niet aan te raken.

Daarna lost het meisje in een recordtempo alle puzzels op in de krant. Ik ben onder de indruk. We stoppen op Utrecht Centraal, maar omdat er zich een lange rij met ongeduldige reizigers voor ons hoekje heeft gevormd en de deur openhoudt, zitten we nog even opgesloten.

We schuren langs de deur en voordat we uitstappen kijkt ze nog even om en zet zich dan met beide voeten af. Ze springt de trein uit, haar armen zwaaien naar voren, ze landt magistraal als een volleerde turnster op haar voeten – nog steeds met een glimlach en loopt dan verder.

Een verrassend positief effect. Mensen kunnen echt veel beter uit de trein springen dan ervoor.

Er belden vandaag drie mensen aan en een daarvan stond in een onderbroek

Het is 19.00 uur. De deurbel van mijn tijdelijke huis gaat. Twee meisjes in felle blauwe jassen en fonkelende oogjes kijken naar mijn pet. Die heeft namelijk ook ogen. Ik pas alleen petten met kindermaat en ik loop daarom zelden op straat met pet, omdat ik geen kind wil tegenkomen die dezelfde pet heeft. “Kijk mama, die meneer heeft mijn pet op.” “Hoi, ik ben bijna dertig.” Maar thuis draag ik graag een pet.

“Hallo. Hoe gaat het?,” vraagt de linker enthousiast. “Ik ben een beetje moe,” antwoord ik. “En hoe komt dat dan?” Waarom heb ik dit gesprek aan de voordeur, vraag ik me af. ‘SOS Kinderdorpen’, staat er op de jassen.

“Ik heb de hele dag gewerkt en ik ben net thuis,” zeg ik.

“Oh. Leuk, wat doe je voor werk?”

“Ja, dat ga ik nu niet allemaal vertellen.”

“Mijn moeder is echt de allerliefste moeder die er is,” antwoordt het meisje. Alhoewel, ik weet niet of dat een antwoord is. Het meisje gooit het even helemaal over een andere boeg: dat zal wel een verkoopstrategie zijn. Mijn wenkbrauwen lijken nu  op mijn petbrauwen, maar het maakt geen indruk.

“Naja, er zijn vast heel veel andere lieve moeders,” vervolgt ze. En het verhaal gaat in recordsnelheid verder. Ik leun tegen de muur. “Ik ga echt niets ondertekenen,” zo onderbreek ik de monoloog.

“Hoezo niet?” “Omdat ik niet onderteken bij de deur. Ook niet via de telefoon of op straat. Ik ben geen fan van colportage.” Ze probeert nog even verder, maar schuift dan door naar de volgende deur. Het meisje ernaast – die tot nu toe alleen heel erg lief kijkt – wenst me nog snel een fijne avond.

Het is 05.00 uur. Er wordt aangebeld. Eerst een keer. Dan twee keer. Dan honderd keer. Ik spring uit bed. Verward en half wakker. Dit is ernstig, denk ik.

Brand. Of een luidruchtig aangekondigde roofoverval aan de deur. Of wraak van de blauwe jassen. Ik besluit het raam op de eerste verdieping te openen. Er staat een blonde jongen voor de deur. In zijn onderbroek.

“Wat is er?”, vraag ik.

“Ik sta buiten en ik moet naar binnen.” Ik probeer de situatie in te schatten en moet nog schakelen van brand, overvallers en SOS-kinderdorpmeisjes.

“Waarom bel je dan bij mij aan?”

“Ik moet ergens naar binnen.”

“En, woon je hier dan ofzo?”

“Ja, ik woon hiernaast.”

“Maar hoezo sta je dan buiten?”

De deur hiernaast gaat zachtjes open en hij verdwijnt naar binnen. “Sorry”, zegt hij nog. “Maakt niet uit joh,” antwoord ik.

Ik voel me een klein beetje schuldig over mijn argwaan en vragen die ik op hem afvuurde. Terwijl hij daar hulpeloos driekwart naakt op stoep stond. Als iemand verdrinkt, ga je ook niet eerst vragen hoe hij daar toch zo beland is. Ik gooi een kaartje door de brievenbus.

dsc_0059

’s Avonds gaat de bel. Een keer maar. De tijdelijke buurjongen. Hij steekt zijn hand uit en stelt zich voor. “Sorry van vannacht, ik was aan het slaapwandelen en ik raakte in paniek. Dus ik begon op bellen te duwen.” “Sorry voor al die vragen”, zeg ik. En hij zegt ook nog een paar keer sorry.

Met mijn scriptie gaat het eigenlijk best goed.

 

wat is de zin van het leven?

abcdefgh