Een maand geocachen om een schat te vinden

Geocachen was niet wat ik ervan verwachtte. Dat heb ik vaak, ik span verwachtingen graag in de hoogste mast van een zinkend schip. De zilvervloot van geocacheverwachtingen ligt inmiddels diep op de bodem van een serieuze oceaan.

Het is maandagochtend vroeg, en zojuist ben ik premium geocacher geworden. In de Dikke Van Dale las ik namelijk over schatzoeken en daar kreeg ik meteen zin in. Wanneer doe je dat nog? Een beetje ouderwets naar schatten speuren.

Een van de grootste gebreken van de moderne tijd is dat er zo nog weinig schatten te vinden zijn. Zo weinig verrassingen.
De laatste keer dat ik een kist vol gouden dubloenen vond, was nooit. 

Maar ik zoek er ook niet meer naar en dat is jammer: we geloven niet meer in wonderlijke begravingen en de hoop ze te ontdekken, is vervlogen naar historische eilanden van onbreekbare leugens.

Als kind zocht ik met vriendjes op het land achter ons huis naarstig naar Romeinse munten in een oude bunker, maar we vonden enkel een onontplofte handgranaat die we toen maar gebruikten tijdens een potje ‘oorlogje’. Het is goed dat ouders niet alles weten.

Ik kende geocachen niet, maar het is groot. Er is een hele community van mensen die stiekem achter muurtjes en in struiken naar verborgen schatten graaien. Dat gaat uitermate voorzichtig, want muggles (dreuzels in de boeken van Harry Potter, normale mensen zonder toverkracht) mogen ze niet zien. Geochachers spreken een eigen taal met leenwoorden uit de boeken van J.K Rowling.

Geocachen werkt als volgt: iemand verstopt ergens een pakketje, met daarin een paar cadeautjes en/of een logboek. (Meestal alleen een logboek, geen cadeaus.) De coördinaten worden gedeeld en geocachers die het vinden, laten een naam en bedankje achter in het logboek.

Je kunt de app gebruiken en dan zie je waar de schatten ongeveer te vinden zijn. Tot op een paar meter nauwkeurig, word je door een pijl naar de cache geloodst.

Met de app kun je de vondst vervolgens loggen en het wordt gewaardeerd als je een uitgebreide ervaring van je zoektocht beschrijft (of gewoon een willekeurige episode uit je levensverhaal). Het is gangbaar af te sluiten met ‘TFTC’ (Thanks For The Cache).

Enkel loggen met TFTC is niet de bedoeling; een aantal geocachers voeren de moeizame campagne: ‘Nee tegen TFTC’.

Mijn verliefde wist niet zo goed wat ze er van moest vinden. Zo ontplofte ik van enthousiasme toen ik een kokertje vanachter een bank triomfantelijk in de lucht stak, alsof ik zojuist koning Arthurs’ zwaard uit een steen trok. Mijn eerste cache. “Het is een kokertje, met een papiertje erin”, zei ze. “Ja, natuurlijk!” antwoordde ik, terwijl ik het opende, “maar niemand weet dat het er zit! De muggles hebben geen idee!” Ze maakte zich een beetje zorgen over mijn nieuwe hobby.

Mensen die ik vertelde over mijn zoektochten, vonden het een rare bezigheid. Iets voor nerds. (Ik gebruikte nog het excuus dat ik het alleen deed omdat ik het tegenkwam tijdens het lezen van een woordenboek. Dat werkte averechts.) Maar waarom? Geocachen is namelijk onverwacht spannend. En gênant. Vooral gênant.

Geocachen is dus kut, zeker als je op zoek bent naar schatten. Volgens de officiële geocacheregels mag je een cache niet eens begraven en ik heb nog nooit van schatzoekers gehoord die graag een kist openen en hun naam in een boekje schrijven dat overloopt van voorgangers. Geen eer aan te behalen. Een echte schat hoort geen verstopt gastenboek te zijn.

Een van mijn eerste vondsten

Ik kijk nog eens naar de omschrijving van cache in de Van Dale: ‘een schat die gevonden moet worden bij geocaching.’ Je móet die schat vinden. Daarom kan het me ook niet behagen.

Een echte schat vind je niet, want dan is het geen schat meer. Werkelijke schatten horen diep in de grond begraven te zijn, bedompt in mistige mythes en koortsachtige dromen van avonturiers. Bedolven onder loodzware fantasieën van betere levens. Hij ligt niet onder een steentje op een parkeerplaats.

Een schat ontstaat in oude verhalen, in de sterke praat van avonden toen de rum rijkelijk vloeiende en het goud langzaam groeide op de losse tongen van stinkende piraten. 

Een schat vind je niet met GPS, alleen met een rotsvast vertrouwen op de laatste zucht van een loslippige bandiet en een incomplete kaart.

Ik wilde de geocachecommunity verrassen door een échte schat te begraven, maar haakte af bij het formulier om deze te registreren. Een echte schat wordt in hectiek verstopt, in een vlucht of in een moment van verstandsverbijstering.

Op Cocos Island bij Costa Rica ligt vermoedelijk een legendarische schat. Een Duitser spendeerde 19 jaar van zijn leven op het eiland in een uiterste poging de schat te ontdoen van de legende en de Costa Ricaanse overheid zette een officiële exhibitie uit (ze vonden niets, maar claimde wel meteen het eiland).

De reis is vaak het doel, maar zo zie ik dat niet. Ik wil een schatkist. Met goud. Ook al is een zilvervloot van verwachtingen altijd leeg.