Autorijden in een opa met een vriendelijk gezicht

Vandaag word ik met open armen, maar vooral met handen ontvangen door mijn oude collega’s. Na een ruim half jaar ben ik er weer. Een dag in de week. Dit is mijn eerste. “Het is niet echt gelukt allemaal he? Verhuizen naar Berlijn, afstuderen.” We lachen om de periode begin dit jaar toen mijn werkdagen bestonden uit het flippen van hamburgers.

“Hebben ze jou net van de camping geplukt?”, schimpt er een. Ik stap het kantoor binnen. Het zou vandaag meer dan dertig graden worden, dus ik koos voor een korte broek. Ik ben de enige. Kledingvoorschriften. Vergeten.

“Ik heb nu een Renault Scenic en een vriendin”, vertel ik enthousiast. Natuurlijk niet in die volgorde.

“Heb je in die twee jaar hier dan niets geleerd?” Een collega zucht diep. Zo diep dat je in zijn adem een diepzeetrog aan zou kunnen treffen. Of zo’n eencellig organisme. Ik schreef eerst dat hij een zucht slaakte, maar wie doet dat nu echt? Dus toen maakte ik er maar de diepste zucht van.

Een Mercedes rijden maakt je niet populair op deze afdeling, maar een Renault de weg op sturen, staat gelijk aan het eten van hete briketten: het is onmogelijk. Dat geldt volgens mijn collega’s overigens voor alle Franse en Engelse auto’s.

Ik vertrok vorig jaar na een afscheidje* van mijn Ford Ka, een afgebroken relatie en een eeuwenoude beukenboom die tegen de grond werd gewerkt nadat ik een handgeschreven brief over de staat van de boom aan de gemeente schreef.

En nu heb ik een auto, verkering en staat er een babybeuk op de plek van de oude, die ik ontmoet als we een rondje lopen in de lunchpauze. Je zou bijna kunnen zeggen dat ik aan de toekomst werk, maar om nou alles meteen te vergelijken met het verleden.

Toen ik aan mijn zusje vertelde dat ik de komende tijd een dag per week aan de slag ga voor mijn oude werkgever, reageerde ze verbaasd, maar voegde daar aan toe dat mijn Bucketbriefproject daar was ontstaan. Geïnspireerd door vragen van anderen en gepaste antwoorden. Ik zocht vorig jaar naar oplossingen. Voor mijn toekomst, mijn dromen.

Ik schreef brieven met vreemde vragen, omdat ze dan werken. Ik vond dat zelf ook vreemd, maar als ik vandaag weer vragen van anderen beantwoord, valt dat wel mee.

Over verre wegen in onbekende delen van de wereld, torenhoge boetes uit parkeergarages omdat een wiel net niet binnen de lijntjes staat. Ik beantwoord ze zakelijk, maar met plezier. ‘Wat een mega trieste parkeerwachter ben je als je hiervoor 70 euro boete in rekening brengt’, wil ik schrijven. ‘Helaas zie ik in uw geval geen enkele mogelijkheid tot een succesvol bezwaar’, schrijf ik terug.

Ik kan het nog. Maar ik snap ook waarom ik hier ontdekte dat ik wilde schrijven. Als je altijd schrijft wat moet, dan wil je schrijven wat kan. Dus niet niet omdat het moet, maar omdat het kan, maar omdat het moet, kan het. Deze zinnen maak ik niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Vandaag parkeerde ik een wiel buiten de lijnen. Ik verscheen in een korte broek op kantoor (het was dus geen tractorwiel, eerder een rolschaatswieltje) en er verscheen meteen een brief in mijn hoofd. Inspiratie.

Mazda MX-5

Ik ben zielsgelukkig met mijn nieuwe oude Renault (die ik graag zie als een camper – maar dat is weer een ander verhaal), maar viel mijn collega’s twee jaar lang lastig met mijn droom een oude Mazda MX-5 te bezitten.

Niet omdat het – zo blijkt – een uitmuntende auto is, maar omdat ik besloot dat ik ooit in mijn leven een auto moest bezitten met koplampen die op ogen lijken. Auto’s zijn altijd zo serieus, ze mogen niet deuken en ze zijn bijna altijd metallic.

Waarom niet dof groen? Of oud blauw? Gerimpeld van de streken met een goedkope kwast. Een auto met een hoofd is in ieder geval nog een aangename uitzondering. Als je de koplampen van een MX-5 uit 1990 aanzet, dan verschijnen er aan de voorkant twee onmiskenbaar vriendelijke ogen. Volgens mijn technische collega’s zit er daarnaast in het hoofd van de MX-5 ook nog een prachtig stel hersenen.

Heb je wel eens in de ogen van een nieuwe Audi gekeken? Pure haat, altijd op de linkerbaan, dicht op je bumper. Ik wil in een oude MX-5 rijden, die als een tevreden opa op gepaste afstand in je rechterspiegel loert.

“Hoe staat het eigenlijk met je Mazda?”, vraagt een collega vandaag. Die ga ik regelen. Met een brief. En dan ga ik met mijn verkering de wereld in rijden. Op de rechterbaan, over verre wegen in onbekende landen.

Parkeren doe je misschien binnen de lijnen, maar ik ga alle grenzen over.

(haha wat een wulps einde zeg, *wist je dat afscheidje een officieel Nederlands woord is? Het betekent ‘kleine afscheidspartij’. Staat in de Van Dale. En ik kan het weten.)

p.s. Ik schrijf een handgeschreven brief aan de directeur van Mazda met de vraag of er nog een slapende MX-5 in de garage staat voor een ritje, maar dat doe ik morgen, want ik ga eerst op minivakantie met de Renault.

Een reactie plaatsen

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Vorige

De alleronste proza zonder eerste en laatste zin (15)

Bijna de gedichten van Dale, maar vooral Groningen (16)

Volgende