Blaas de baarmoedertrompet! (29)

“Pauze werk”, dat prijkt bovenaan bladzijde 265. Soms lees ik in een koffie- of lunchpauze een paar woorden. Op zoek naar een schat, een vondst, in de inleiding van de B.

De A maakte me hongerig, maar de woorden in de eerste regionen van de B blijken slechts droge theekaakjes, niet in staat de trek naar wonderwoorden of taalgeheimen te verminderen.

Baanmeid. Een slet, hoer. Of de Baar. Een brede, zilveren streep in een wapenschild, lopende van de rechterbovenhoek naar de linkerbenedenhoek; doorgaans ten onrechte als teken van bastaardij beschouwd. Interessant. Al die edele ridders met hun trotse streep werden aangezien voor buitenechtelijke schandknapen, maar wat heb ik er nu aan?

Baard, las ik. En ik liet hem staan. Baardeloos. Ik schoor hem af. Precies zoals het woordenboek voorschrijft, maar het levert niets op. Met uitzondering van de opluchting dat baardeloos volgde op baard en baardschurft op een kale kin zelden voor komt en mij dus bespaart blijft.

Baarmoedertrompet en de baarpijp

De baarmoedertrompet bespeelt bladzijde 267 en gaat vooraf aan de baarpijp, die meteen volgt. Een vruchtbaar ensemble. De baarmoedertrompet – ook wel betiteld als de trompet van Fallopius – en de baarpijp, die gevormd werd door de 16e-eeuwse orgelbouwer Hendrik Niehoff. Het is een open pijpwerk, zacht van geluid. Een waar samenspel van zacht puffende orgelpijpen en een tetterende baarmoedertrompet.

Rijnsburgersweg

Een mysterie dient zich later op die pagina toch nog aan. Bij Baas. Ook wel een aanspreekvorm voor een volwassen man van mindere stand. Een voorbeeld volgt: baas, kun je ook zeggen waar de Rijnsburgerweg 22 is? Waarom zou deze omschrijving naar dit specifieke adres verwijzen?

Het pand staat in Leiden. De verklaring vind ik in een artikel dat in 1999 in dagblad Trouw verscheen. Het gaat over de destijds nieuwe uitgave van De Dikke van Dale. De verwijzing naar de Rijnsburgerweg is een grapje in het woordenboek. Het betreft het toenmalige adres van de hoofdredacteur. De baas.

Ik dacht dat ik iets op het spoor was, maar deze ontdekking werd 18 jaar geleden al gedaan en er is vast flink om gegrinnikt. Ik voel me als Robinson Crusoë op Texel.

Badminton

Badinage à part, alle gekheid op een stokje. Over gekke stokjes gesproken:  wist je dat badminton is genoemd naar het kasteel van hertog van Beaufort in Gloucestershire? De titel hertog van Beaufort werd gecreëerd in 1682 door Karel II voor Henry Somerset, de 3e markies van Worcester. Nu mag je deze informatie meteen weer vergeten, maar het klinkt zo lekker. Henry de derde markies van Worcester, je hoort de baarmoedertrompetten opgewonden toeteren bij die aankondiging. Henry was een afstammeling van een bastaardzoon van een andere familie. De hertog van Beaufort had prima een baar op het wapenschild kunnen dragen.

Kennelijk speelde de hertog graag potjes badminton in de binnentuin van het kasteel. Dat lijkt me onverstandig voor een kasteelheer. Niet dat ik iets tegen badminton heb, zeker niet, maar een kasteelheer die een pluimbal over een netje slaat, kan ik niet zo serieus nemen. Er is geen geweldlozer sport te bedenken dan badminton. Het ontbreekt die sport aan geluid en aan gevaar. Een badmintonshuttle die je om de seconde boven de burchtmuren ziet verschijnen, boezemt een vijand weinig angst in. De grootste blessure die je kunt oplopen bij badminton is een vliegje in je oog.

Mijn zusjes speelden vroeger badminton op de woensdagavond, in zo’n verscholen gymzaaltje in een dorp. In de donkere winter, en dan was er in de wijde omgeving alleen maar het geluid van zoevende shuttles te horen. Soms probeer je je nietig te voelen, als je naar de sterren kijkt bijvoorbeeld. Sommigen denken dan aan moleculen of atomen, maar ik denk dan aan de proefles badminton van mijn zusjes.

 

 

Een reactie plaatsen

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.