Als bohemer op bezoek bij de Dikke Van Dale

“Is het niet saai om het hele woordenboek te lezen?”, vragen mensen vaak. Valt mee, probeer de film 2001: A Space Odyssey eens uit te kijken. Dat is pas een uitdaging. Zojuist zat ik met de vriend van mijn zusje op de achterste rij in de zaal en het is vrij heftig om de slappe lach te onderdrukken tijdens een film die 2,45 uur duurt en voor 80% bestaat uit ruimtegeluid: totale stilte dus.

Ik hing met mijn hoofd in mijn armen te snikken en toen iemand het na een ellendig uur voor gezien hield en de zaal verliet, merkte d.v.v.m.z. op: “Je zou toch moeten weten wat te verwachten als je naar deze film gaat. Straks eindigen we met z’n vieren en dan knikken we elkaar allemaal even toe als de lampen weer aangaan. We hebben het gehaald. Respect.”

Kort daarna stonden er weer een paar mensen op. Een illusie armer. Het verliezen van een illusie is goed te zien aan mensen die bioscoopzalen vroegtijdig verlaten; gebogen schaduwmensen die schichtig proberen te ontsnappen, terwijl iedereen ze ziet.

Waarom ik deze film nog een keer wilde zien, weet ik niet. Misschien alleen al omdat de film precies 50 jaar geleden uitkwam en daarom bij uitzondering nog eens op het witte doek wordt geprojecteerd. Ik koop ook elke keer de limited editions van chocoladeproducten en limited is meestal alleen dat het in een wit chocoladejasje steekt. Altijd teleurstellend. A Space Odyssey is dat overigens zeker niet. Je valt geheid een keer in slaap, maar dat hoort zo. Een jaar later denk je namelijk nog steeds terug aan deze film en daarom is hij bijzonder.

Inmiddels is het nacht, maar in dit huis hangt de warmte van vorige week nog in de slaapkamer, dus het is lastig slapen. Daarnaast moet ik nog even terugblikken op afgelopen week, want ik werd gebeld door de radio en ik was op bezoek bij de Dikke Van Dale.

Op bezoek bij de uitgever van de Dikke Van Dale

“Grappig shirt, speciaal uitgekozen zeker?”

JUST NO WORDS‘, staat erop. “Goede keuze.” Dat shirt draag ik graag als het om het woordenboek gaat. Ik ben op bezoek in het huis van mijn geestelijk vader: de uitgeverij van de Dikke Van Dale. Mijn taalbijbel.

Ik treed binnen in de tabernakel van de Nederlandse Taal. Het Heilige der heiligen der Nederlandse letteren. Ik ben er gewoon. In een glazen vitrine staan exemplaren van alle edities van het woordenboek door de jaren heen. Een altaar voor taalpuristen en de grondvesten van beschaving. De afgelopen tijd heb ik geprobeerd om de kwaliteit mijn teksten iets op te krikken, maar vandaag laat ik de woorden uit mijn vingers vloeien met een extra scheut sojasaus dat een smakelijk gerecht ineens om zeep helpt.

Ik spreek met de uitgever en diens collega over mijn project. “Ik ben bijna bij de C, daar kijk ik toch wel naar uit”, zeg ik. De uitgever waarschuwt me voor dat hoofdstuk, met name voor de hoeveelheid voorvoegsels. Een zeldzame waarschuwing, denk ik. We bespreken een aantal zaken en ik ben stiekem achter een computer van een redacteur gekropen om een fictief woord in de Van Dale te plaatsen. (Misschien is dit waar, misschien niet.)

De hoge kasten om mij heen zijn gevuld met boeken, allemaal ongelezen. Ze hebben nooit in een winkel gestaan. Uitgestalde prijzen. ‘Probeer hier maar eens tussen te komen, schrijvertje’, zie ik ze denken. Ik ben op deze plek nog de bohemer1 op een gala, maar het gaat steeds beter met mijn woordenschat. Tijdens een radio-interview blijk ik gelukkig geen omgevallen boekenkast2 te zijn, als mijn kennis van hoofdstuk A en B wordt getest.

Wil je een boek? Nee, ik heb al een boek

Van de mensen van Van Dale (van, van, van) krijg ik een groot pakket cadeau. De meest recente delen van het woordenboek. “Of wil je die niet?”, vraagt de vrouw. “Nee, ik heb al een boek”, wil ik zeggen, omdat ik die grap eerder las op bladzijde 460 bij het woord boek: ‘(schertsend) nee, ik heb al een boek, reactie op de vraag of iemand een boek wil hebben.’ Maar natuurlijk kan ik dat cadeau niet weigeren.

Mijn beschreven bruine versie uit 1999 steekt er maar armoedig tegen af. Ik kon de verleiding niet weerstaan meteen in de nieuwe sneeuwwitte Van Dale te duiken en er van puur geluk engelen in te maken. De geur van een dik pak vers gekaft papier. Een ongekast boek. Er staan plaatjes in én hij begint met een hoofdstuk over cijfers. 15 minutes of fame bijvoorbeeld. Die heb ik in ieder geval gepakt deze week.

Keer ik mijn oude Van Dale de rug toe? Nee. Eigenlijk is dit boek gewoon net als A Space Odyssey. Ik had dus een vergelijking bedacht om het verhaal rond te maken, maar ik moet nu echt heel erg gaan opschieten om een vliegtuig te halen. Vluchten voor mijn dertigste verjaardag. 

Ik twijfel nog of ik een paar onderbroeken uit de bagage ruil voor de nieuwe Van Dale.

  1. (de (m.); -s) 1. rondzwervend, slordig gekleed persoon. 2. zigeuner (Dikke Van Dale, 1999)
  2. (uitdrukking) een omgevallen boekenkast, iemand die veel gelezen heeft, maar weinig inzicht bezit in dat wat hij daarover ter sprake brengt. (Dikke Van Dale, 1999)