,

‘Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, dan vries je dicht’ (66)

‘Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, dan vries je dicht.’ 1 Eerst denk ik: precies! Zo is het! De ziel is pas bewogen als je ontroerd bent. Al fietsend, aan het einde van de middag, vraag ik me ineens af of ik dat vandaag wel genoeg heb gedaan: roeren. In de koffie zeker, maar mijn ziel heb ik met geen vinger aangeraakt.

Er dienen zich meteen een aantal vragen aan: hoe goed moet je roeren? Is een slap rondje, het veroorzaken van een lichte deining in de ziel voldoende, of moet je elke dag flink aanzetten? Roer je door een enorme pan snert of moet je in de ziel malen alsof het een waterzuiveringsinstallatie is? Roer je door, totdat er iets opgelost is? Gebruik je een lepel? Volstaat een roerstaafje, ga je aan de slag met een roeispaan? Zit de ziel soms niet zo diep, dat je beter met een boormachine kunt werken? Hoe groot is mijn ziel? Waar zit ‘ie eigenlijk?

De ziel is een transparante wolk, denk ik. Opgeloste mist, een puf condens. Lang heb ik verondersteld dat we allemaal rondlopen met een ziel en het lichaam slechts als huls. Maar je moet het lichaam niet onderschatten, als het gaat om ongemakken, heeft het de touwtjes vaak in handen.

Bij de een is de ziel groter dan bij de ander en bij sommigen is hij vrijwel onzichtbaar of ontbreekt hij zelfs. De ziel lijkt een beetje op het geweten. Had ik geweten waar het geweten zat, dan wist ik het wel. Gevoelsmatig plaats ik mijn ziel altijd ongeveer tussen mijn hart en onderlichaam. Hij zweeft een beetje langs de darmen, net ter hoogte van de navel. Dat komt misschien omdat de ziel vaak onder de arm wordt gedragen. Ik aai mijn ziel als ik honger heb. Als je dagelijks goed roert, pluk je daar de vruchten van. Navelpluis is stof van de ziel.

Je hebt christenzielen of christene zielen, en die worden ook gebruikt als een uitroep van verbazing of ontsteltenis. ‘Christene ziele, wat is dat hier voor een rommel!’ wordt als voorbeeld genoemd op bladzijde 604 van het woordenboek. Die hoor je niet vaak (meer), net als een van mijn andere favorieten: ‘Deksels, wat is het koud!’, die ik onlangs tegenkwam op pagina 706. Ik kerm beide2 uit, wanneer ik ’s avonds de woonkamer betreed.

Ik zocht naar verdere context omtrent het citaat van Krol en vond een ‘In memoriam’ van journalist en schrijver Matt Dings. Matt ontmoette Gerrit in de nazomer van 2006 en interviewde hem over het verschijnen van de roman Rondo Venziano.

‘In Rondo veneziano converseren de hoofdpersonen wonderlijk genoeg met overleden dichters en filosofen als Brodsky en Pythagoras. “Als je overledenen citeert, doe je niet anders dan hen alsnog aan het woord te laten,” verduidelijkte Krol.’

Matt schrijft verder: ‘Terwijl zijn vrouw Janna een rijke garnalensoep offreerde, citeerde Gerrit Krol zichzelf over het waarom van schrijven: “Om het wak open te houden. Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, dan vries je dicht.” (…) Hij mocht graag een beetje voor zich uit peinzen, vertelde hij ten slot. Als het meezat, welde er een klein inzicht op. Zoals dit, over het lezen van de krant: “Want er gebeurt elke dag wel iets. Er gebeurt elke dag wel iets wat niet elke dag gebeurt. Het belangrijkste is dat wat elke dag gebeurt. Maar dat staat niet in de krant.”‘

‘“De gedachte van vandaag,” rondde hij af, “is morgen weer verleden tijd. Niet verdwenen, maar bouwsteen geworden. En daar bouw je een wereldbeeld mee op. In mijn geval een heel eenvoudig wereldbeeld. Mijn wereldbeeld is al jarenlang: de hoogste wijsheid is het dagelijkse leven. Nou, zegt een ander dan, had je me dat niet direct kunnen vertellen?”’

Ik las een aantal andere stukken van Matt en getroffen door zijn schrijfvaardigheid, abonneerde ik me op zijn blog. De volgende dag las ik de meest recente bijdrage. Een overlijdensbericht.

“Herinnering, hoop, ervaring, ambitie. Het hoort allemaal bij elkaar:
hier en nu en ginds en straks en ergens en toen”
Matt Dings

Matt overleed in maart van dit jaar. ‘Als je overledenen citeert, doe je niet anders dan hen alsnog aan het woord laten,’ vertelde Gerrit in 2006 aan Matt.

Misschien is dat woord de ziel. Die van mij werd geroerd.

“Hoe staat u tegenover de dood?” vroeg de huisarts voorzichtig. Het was zo’n vraag om eens goed over na te denken, maar ik hoorde mezelf terugkaatsen: “Daar ben ik tegen.”’3

 

  1. Gerrit Krol (Uit: In dienst van de ‘Koninklijke’.) en blz. 731 (Dikke Van Dale, 1999)
  2. beide of beiden? Ik heb hier een tijdje over na zitten denken.
  3. uit: Toekomstje, 23 januari 2018 Matt Dings 
Vorige

Een deconstructie van mijn schrijverschap (65)

Woord van het jaar: ‘blokkeerfriezen’ vs ‘bekotebikkerd’ (67)

Volgende