Blauw bestond vroeger niet en verdwijnt weer (want de wereld vergaat) (47)

| | ,

Het is bijna half zes in de ochtend en buiten bezingen vogels de naderende dag. Ik voel de droogte in mijn mond en sluip naar beneden voor een glas water. Naast mij ligt een blauwkous1 rustig te slapen, haar ademhaling doet me denken aan iemand die geduldig een luchtbed oppompt. Omdat ik de slaap maar niet kan vatten, sla ik het woordenboek open en lees verder, hopend op een slaapverwekkend verhaal. Ins Blaue hinein.2

Blauw. Bladzijde 434. Opvallend is meteen dat blauw kennelijk afstamt van het Engelse blue én van het Latijnse flavus (geel, blond). Dat zijn toch twee kleuren die in het hedendaagse kleurenspectrum juist tegenover elkaar staan. In nummer 172 van het magazine Handwerken zonder Grenzen (ik heb de eerste 171 compleet gemist) lees ik een artikel over de verwarrende etymologie van blauw. Het kan afstammen van blâo, een oud Saksisch woord dat ook geel betekent, Flavus en blá (Iers), beide betekenen geel, maar ook het oud-Noorse woord blar (zwart) wordt genoemd. De oorzaak: blauwblindheid. Mensen konden vroeger geen blauw zien en daarom was er geen woord voor. Of het is precies andersom: omdat er geen woord voor blauw was, konden mensen de kleur niet zien. Kijk dit:

(Gebruik dit in je voordeel. Je hebt nu een reden om de brieven van de Belastingdienst ongeopend te laten en meteen een filosofisch gesprek over onze waarneming van de werkelijkheid aan te gaan met een inspecteur die een dwangsom oplegt)

Maar dit zie en lees ik allemaal later pas, na de slopende nacht waarin ik een beroep deed op het woordenboek teneinde een beetje melatonine uit de lange ritsen van woorden te persen. Meestal lukt dat goed. Een blik op de bruine kaft op het nachttafeltje en mijn oogleden vallen omlaag als een motorkap die dichtslaat. Dit keer word ik uit mijn slaap gehouden door het woord blauw. Er wordt verondersteld dat blauw licht je uit de slaap houdt, maar het woord lezen, heeft eenzelfde effect. Ik weet trouwens niet zo goed waarom ik met archaïsche woorden aan het strooien ben.

Blauw is namelijk een grappig woord, of in ieder geval de beschrijvingen ervan in het woordenboek. Het is mogelijk dat ik inmiddels gek geworden ben door het lezen van honderden pagina’s woordenboek, maar lees deze zin bijvoorbeeld: ‘(Blauw in verschillende plantnamen) blauwe anemoon, druifjes, knoop, leeuwenbek, zeedistel, zegge; blauwe regen; (in diernamen) blauwe ekster, glazenmaker, haai, haarkwal, kiekendief.’ Zo worden ze zelden geschreven.

Het is toch prachtig dat er ergens een blauwe knoop of leeuwenbek bloeit, een blauwe ekster zingt of dat een blauwe glazenmaker op een lelie landt. Die laatste is een van de meeste waargenomen libellen, dus als je een keer een libelle ziet, poch dan snel dat het een glazenmaker is. Je hebt waarschijnlijk gelijk.

De blauwe kiekendief wordt daarentegen steeds minder waargenomen. Hij wordt namelijk met uitsterven bedreigd door o.a. intensivering van landbouw. In de zee vinden we de blauwe haarkwal, die zich verplaatst door pulseringen van zijn hoed. Dat is de coolste manier om je te verplaatsen; laat je auto vandaag eens staan en pak je hoed. Over ontwikkelde soorten gesproken.

Bijen verdwijnen

Afgelopen weekend las ik een alarmerend artikel in Trouw over de verdwijning van bijen, insecten en vogels door intensieve landbouw en de rampzalige gevolgen voor de natuur. Ik lees alleen over blauw en de kleur verdwijnt in sommige woorden. Ontspringt in een secundaire betekenis van de dood. Ironisch genoeg zal blauwe regen – die in mijn ogen toch echt paars is – in het slechtste geval de aarde overleven als de knappe kakkerlak onder de planten. Als we zo door gaan, staan we om half zes naast ons bed, maar zal er geen ochtendmuziek meer zijn vanuit de bomen om je te begeleiden naar het toilet voor een eerste verkwikkende ontlading van de blaas.

Ik wilde dit stuk wijden aan de vele grappige betekenissen van blauw, maar liet me verleiden tot zinloze hoop dat deze blauwe woorden zich misschien nog ergens in een zwarte toekomst kunnen mengen. We moeten het maar blauwblauw3 laten. Bij ons staat op het dakterras een stuifmeelplantje te hunkeren naar de pootjes van een bijtje, de blauwbroek4 in een pikzwarte nacht.

Vanochtend hoorde ik misschien een blauwpieper, de bastaardnachtegaal. Het is nog niet te laat. Het is nog steeds blauw.

  1. Spotnaam voor een vrouw die geleerd is of daarvoor wil doorgaan en een zekere minachting voor huishoudelijke zaken toont. Blz. 435, Dikke Van Dale, 1999
  2. In de bijwoordelijke verb. Ins Blaue hinein, zomaar in de lucht, in de ruimte, op goed geluk, in de hoop van door het toeval iets te raken. Blz. 434, Dikke Van Dale, 1999
  3. (uitdr.) iets maar blauwblauw laten, laten zoals het is, er niet meer over spreken, doen alsof er niets gebeurd is. Blz.434, Dikke Van Dale, 1999
  4. ben. voor zich snel verplaatsende dwaallichtjes. Blz. 434, Dikke Van Dale, 1999
Vorige

Waarom stoppen we een overhemd in de broek? (46)

Een jaar lang het woordenboek lezen: een welkomstwoord (48)

Volgende